Even iets pikken van een collega.

Het feit dat internet geweldig is behoeft natuurlijk geen toelichting. Het web is een geworden met de mens en zijn behoeften. Wie maakt zich nog zorgen over “Big Brother”? Dit geldt zeker voor leerlingen. Er wordt wat “geleend” van het internet bij het schrijven van verslagen, samenvattingen en meer van dit moois. En dit leidt weer tot een mooie bron van inkomsten voor de diverse plagiaatscanners. (Trouwens, Metameer gebruikt hiervoor Ephorus.)

Maar natuurlijk mag je wel iets van het internetgebruiken als je maar de bron vermeldt. Bij deze dan. De volgende tekst is uitgesproken tijdens een School aan Zet bijeenkomst door Johannes Visser, leraar Nederlands op het Zaanlands Lyceum en onderwijsjournalist voor De Correspondent. Ik heb deze tekst gevonden op de website www.onderwijsfilosofie.nl

“Bij datagedreven onderwijs wordt op basis van de analyse van wat een leerling wel of niet kan direct nieuw leermateriaal aangeboden. Leerlingen die de lesstof onder de knie hebben, krijgen direct een moeilijkere oefening aangeboden. Leerlingen die moeite hebben met de stof krijgen extra uitleg en oefeningen aangeboden. Visie IBM

Dat stelt ons natuurlijk voor de vraag: wat is de rol van de docent nog, als computers beter dan docenten in staat zijn om te toetsen, te analyseren en op maat nieuwe oefeningen aan te bieden? Steeds vaker wordt de docent genoemd als coach genoemd, of procesbegeleider.

Zou het enige doel van mijn lessen kwalificatie zijn, dan win ik het niet van de computer. Het kost mij een uur om een eenvoudig toetsje na te kijken, de computer lukt dat in een halve tel. Wil ik formatief toetsen en alle leerlingen op basis van de toets een studieadvies geven, kost dat me nog een uur. De computer analyseert fouten in no-time en kan de leerling een op maat gemaakt instructiefilmpje aanbieden. De computer kan perfect analyseren welke oefeningen wel en niet nuttig zijn voor een leerling, met 150 leerlingen die ik lesgeef blijft dat voor mij natte vingerwerk. Differentiëren betekent vaak dat ik zo tegen de herfstvakantie van al m’n leerlingen de naam ken.

Mijn meerwaarde is niet dat ik weet hoe je het voltooid deelwoord schrijft. Dat staat ook wel in het boek en wordt in tientallen YouTube-filmpjes prima uitgelegd. Mijn meerwaarde is niet dat ik oefeningen na kan kijken met de klas. Die oefeningen kan een computer ook nakijken. En hoewel ik graag vertel over literatuur in de middeleeuwen en de renaissance, zit de meerwaarde ‘m ook niet in de kennis die ik op dat moment overdraag. De meerwaarde zit ‘m niet in het domein van de kwalificatie, maar in de andere domeinen, in socialisatie en subjectificatie, in de interactie die in de klas ontstaat als ik iets vertel, in discussies die daardoor ontstaan, in het gevoel dat ik in mijn lessen leg, in de dingen die tijdens de les ontstaan.

De docenten die ik mij herinner zijn niet voor niets de docenten die juist op het gebied van socialisatie of subjectificatie uitblonken. De docent geschiedenis die nooit het lesboek gebruikte en voortdurend met de klas in discussie ging, over de voordelen van het communisme, de huidige politiek of de kledingsmaak van Napoleon. De docent economie die niet alleen vertelde over Keynes en de anticyclische begrotingspolitiek, maar je ook leerde hoe je een stropdas moest knopen voor als je een belangrijke zakenlunch had. De docente Duits die je opbelde toen je oma overleed om te vragen hoe het met je ging. Docenten die meer waren dan een pratend lesboek, en in de toekomst meer zijn dan een trage computer.”

Kijk, alweer stof tot nadenken.

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.